Web Stats
Visstekken
Vis-technieken
Trailerhellingen
Visgidsen
visserijnieuws
Vangstberichten
Buienradar
Sportvisserij Ned
P.O.S
HSV Almere
Waterhoogte-stroming
Golfhoogte kust gebied
Totalfishing
Metersnoeken
Visserijnieuws
Jachthaven/helling
Camping Waterhout
Karper online
VVV Almere
Gastenboek
Home
HSV Lelystad
HSV Zeewolde
SNB (Snoek)
Hengelsport Naarden
Aalscholvers
Haddock watersport
SEA TEMPERATURE
Visclub beheer
Tools HSV beheer
Info vissoorten.
E.U. Visserijbeleid
EU wil Ansjovis visserij in Golf van Biskaje toelaten 31 Juli 2009 | 09:30:16 bron visserijnieuws.punt.nl De Europese Commissie heeft een plan voorgesteld om het ansjovisbestand in de Golf van Biskaje beter in stand te houden. De bedoeling is het bestand op zo'n niveau te houden dat het duurzaam geëxploiteerd kan worden, en tegelijk winstgevend wordt voor de visserijsector. Vissen op ansjovis in de Golf van Biskaje is al sinds 2005 verboden. Quotum Volgens wetenschappers was het niveau van de ansjovis vier jaar geleden tot alarmpeil gedaald. Het plan dat nu voorligt voorziet in een wiskundige formule om - op basis van wetenschappelijke gegevens - elk seizoen de mogelijkheden voor de visvangst te bepalen. Nieuw Vernieuwend aan de hele opzet is dat quota telkens in juni zullen worden vastgelegd, terwijl het visseizoen al op 1 juli van start gaat. In juni volgend jaar komt het eerste wetenschappelijke rapport over het ansjovisbestand in de Golf van Biskaje. Op basis van dat rapport zal worden beslist over het vissen weer toegelaten wordt. Goed nieuws Volgens Europees Commissaris voor Maritieme Zaken en Visserij Joe Borg is het plan "goed nieuws voor zowel het ansjovisbestand als de vissers wier overleven van het bestand afhangt". Hij is ook tevreden dat zowel de wetenschappelijke wereld als de visserijsector zich achter het plan schaart. (belga/sam) Bron: HLN 0-0-0- • NOOT * De OPLOSSING,,,,,, Ook voor het beheer van Alle Visbestanden in Nederland via een regionale VBC ???? Zie voorbeeld Sport/beroepvisserij samen op het Gooimeer Almere . Henk Slegh. ------------------------------------------------------------------------- Palingvissers sturen noodkreet naar Balkenende PUTTEN - Ongeveer zeventig palingvissers hebben woensdagavond tijdens een vergadering in Putten besloten om een „noodkreet” te sturen aan premier Jan Peter Balkenende. Zij vrezen dat een vangstverbod voor paling de doodsteek wordt voor hun beroep. Minister Gerda Verburg (LNV) stelde aanvankelijk een vangstverbod voor, maar werd door de Tweede Kamer teruggefloten. Een meerderheid in het parlement zag een alternatief in een voorstel van de vissers om zelf de visstand met een aantal maatregelen op peil te houden. Verburg liet daarna weten dat de Europese Commissie grote moeite heeft met dat alternatief en stelde opnieuw een vangstverbod voor. Bron: Telegraaf 30 Juli 2009 | 08:00:42
Tilapia en Nijlbaars overbevist KAMPALA - De afgelopen jaren hebben Ugandese vissers veel te veel vis gevangen. De regering van het Afrikaanse land heeft daarom besloten de visvangst aan strakke banden te leggen. Hele vissersdorpen zullen tijdelijk worden verplaatst. Naast koffie is visfilet een van de belangrijkste exportproducten van Uganda. Ook in Nederlandse supermarkten gaan tilapia en nijlbaars veelvuldig over de toonbank. De vraag naar dergelijke vissoorten is de afgelopen jaren sterk gestegen, zodat ook de export vanuit landen als Uganda en Kenia sterk toenam. Het gevolg van deze nauwelijks gecontroleerde toename in Uganda is dat daar de populairste visgebieden nagenoeg leeggevist zijn. Tijdens een rondgang langs enkele grote meren maakte de Ugandese staatssecretaris Fred Mukisa van Visserij de afgelopen week bekend dat belangrijke visgebieden in die meren gesloten moeten worden. „We zullen die harde maatregel niet in één keer doorvoeren”, zei Mukisa tegen meereizende journalisten. „We gaan in gesprek met vissers en hun families om hen ervan te overtuigen dat het beter is tijdelijk af te zien van de visserij.” Mukisa voegde eraan toe dat visserijgemeenschappen die langs bedreigde visgronden wonen, verplaatst zullen worden naar andere gebieden. Daar zullen zij moeten blijven, totdat de visstand zich voldoende heeft hersteld. Het grootste en voor de visvangst belangrijkste water is het Victoriameer, waaraan behalve Uganda ook Tanzania en Kenia grenzen. Volgens de Victoriameer Visserijorganisatie (LVFO) is het aantal vissersschepen en -bootjes gegroeid van 42.493 in 2006 tot maar liefst 69.160 in 2007. Een toename van ruim 60 procent in één jaar. Bron: Reformatorisch Dagblad.
Handen ineen voor aalherstel UTRECHT - De palingsector schaart zich gezamenlijk achter stichting Future for Eel om herstel van de aalpopulatie mogelijk te maken. Hiermee lijkt de verdeeldheid onder de diverse groeperingen verleden tijd. Dit bleek ook tijdens de eerste openbare vergadering van de in april opgerichte Future for Eel die vorige week donderdag werd gehouden in Utrecht. Ondanks de vakantietijd was de opkomst groot bij de open vergadering van Future for Eel. Vissers, kwekers, visverwerkers en andere belanghebbenden uit de sector luisterden aandachtig naar de presentatie van het (beoogde) bestuur over de doelstellingen, achtergronden en te ondernemen activiteiten. Duidelijk is dat men al langer de ernst van de situatie in de palingsector inziet. De afgelopen tijd is ook de druk vanuit natuurbeschermingsorganisaties groter geworden om actie te ondernemen, zegt voorzitter Pieter Bak van Future for Eel. ,,Hoewel er al initiatieven werden en worden ondernomen door verschillende partijen, is het hoog tijd om de krachten te bundelen en gezamenlijk concrete stappen te zetten. Future for Eel wil daarin als onafhankelijke, overkoepelende organisatie een stimulerende rol spelen. Door te streven naar een breed draagvlak moet het mogelijk worden samen activiteiten te ondernemen ten gunste van de palingstand op de korte en de langere termijn.´´ Om haar doelstellingen te bereiken zal Future for Eel onder andere projecten voor uitzettingen van glas-, poot- en schieraal financieren, begeleiden en evalueren. Ook onderzoeksprojecten en andere projecten die gericht zijn op aalherstel behoren tot de mogelijkheden. Via een eigen website komt informatie beschikbaar over de activiteiten, de resultaten en algemene informatie over de biologie en het beheer van de aal. Het bestuur van Future for Eel (naast levensmiddelentechnoloog Bak bestaat deze uit professor Guido den Thillart van de Universiteit Leiden en jurist Hubert Dankmeijer) laat zich adviseren door een beleidsadviescommissie en een projectadviescommissie. De beleidsadviescommissie adviseert onder andere over de te volgen koers en stelt subdoelen en prioriteiten vast. Deze commissie bestaat uit een afvaardiging per groepering binnen de palingsector: NGO’s, sportvissers, beroepsvissers, kwekers, visverwerkers, groothandel etc. De projectadviescommissie bestaat uit experts die de ingediende projecten inhoudelijk beoordelen. Future for Eel zal haar inkomsten verkrijgen vanuit de sector via giften, heffingen e.d. en via subsidies, onder andere vanuit het Ministerie van LNV. Via de website wordt het mogelijk donaties aan te melden. Alle donateurs/sponsors zullen op de site worden vermeld. Deze bedrijven/organisaties kunnen (tegen betaling) een licentie krijgen om het logo van FFE op hun website te vermelden.
20 Augustus 2008 'Groene' vis kost 12 euro per kilo Dankzij de duurzaam gekweekte Claresse kan je vis eten met een proper geweten. Volgens milieuverenigingen is deze kunstmatig gekweekte zoetwatervis een oplossing voor de overbevissing van de zeeën.. Vanaf volgende week kan u de Claresse bij Delhaize kopen voor 12 euro per kilogram. 'Nergens met de vingers aankomen en niet tegen de visbakken stoten. Dat veroorzaakt stress bij de dieren.' Viskwekerij Fleuren van Bert-Jan Roosendaal bij Someren, in de Nederlandse provincie Brabant, laat slechts zelden bezoekers toe. Bij onze rondleiding gisteren moesten we blauwe beschermkapjes over onze schoenen trekken en door een ontsmettingbadje stappen. 'Vissen zijn zoals andere dieren. Ze kunnen ook ziek worden.' Roosendaal is al twee jaar bezig met de kweek van een nieuwe vis die geschikt is voor menselijke consumptie en massaproductie. Volgende week is voor hem het grote ogenblik aangebroken. Dan ligt zijn 'Claresse' ook in de Belgische winkelrekken. De Claresse is een kruising tussen twee meervalsoorten die in de natuur in Nigeria voorkomt. Het is een witte zoetwatervis die in Someren via aquicultuur in miljoenenaantallen wordt gekweekt. Nog bijzonder is dat de Claresse een 'groene' vis is, gekweekt volgens duurzame methoden. Het water waarin de vis van een larfje van enkele millimeters groeit tot een vis van een kilogram, verlaat de kwekerij niet. Het wordt ter plekke gezuiverd en hergebruikt. Op die manier gaat er ook weinig warmte en energie verloren. De Claresse eet bovendien vooral plantaardig voedsel, terwijl de gekweekte zalm nog altijd vooral op (dierlijk) vismeel is aangewezen. Zalm gekweekt in Chili bijvoorbeeld is volgens de Stichting De Noordzee ecologisch een 'foute' vis. In de goede-visgids van de Stichting staat hij in de rode kolom. De Claresse uit Nederland daarentegen is een duurzame vissoort en staat in de groene kolom. Dat bevestigden twee specialisten van milieuverenigingen, gisteren bij de voorstelling van de vis. 'De ontwikkeling van de Claresse is een belangrijke innovatie', verklaarde ingenieur Carel Drijver van het Wereldnatuurfonds Nederland . 'Met deze vis gaat de Europese consument erop vooruit. Als dit voorbeeld navolging krijgt, kan het een oplossing bieden voor de overbevissing van onze zeeën', zegt Drijver. Ook Christien Absil van de Stichting De Noordzee staat positief tegen de lancering van de Claresse. 'We staan altijd wat argwanend tegenover dergelijke commerciële initiatieven, maar volgens de criteria van onze viswijzer staat de Claresse duidelijk in de kolom van de goede vis wegens zijn duurzame kweekmethode. Sommige gekweekte vissen, zoals de tonijn en de zalm, eten meer vis dan ze zelf opbrengen. Dat is niet het geval met de Claresse.' Zelfs het doden van de vis gebeurt op een diervriendelijke manier, met verdoving via elektriciteit en dan onderkoeling. De nieuw gekweekte vis wordt op de markt gebracht door het Nederlandse bedrijf Anova, dat een overeenkomst sloot met de warenhuisketen Delhaize. Vanaf dinsdag ligt de Claresse daar in de winkelrekken, tegen de redelijk scherpe prijs van 12 euro per kilogram. 'De naam Claresse is in Italië bedacht', zegt Constant Mulder van Anova. Het is een samentrekking van Clarias Charipinus , de Latijnse naam van de vis, en het Franse finesse - een vondst die het product de nodige uitstraling moet bezorgen. Met de lancering van de vis hoopt Delhaize ook zijn groene imago bij te spijkeren. Voor kweker Bert-Jan Roosendaal ging het om de uitdaging. 'We zochten naar een nieuwe soort en hebben de beste kwaliteiten van twee bestaande meervalsoorten gekruist.' Hiervoor had kwekerij Fleuren toestemming van de Nederlandse overheid en zelfs Europa nodig, want dieren kruisen doe je niet in het wilde weg. Vanaf volgende week is het resultaat van Roosendaals inspanningen op het bord te proeven. Door Filip Verhoest, Bron: Het Nieuwsblad
VIETNAM - Bijna 40 diervoederbedrijven zijn dit jaar gestopt met handelen omdat men grote problemen heeft met importeren en ongunstige wisselkoersen. Bui Thi Oanh van het Ministerie van Landbouw, departement Landelijk Ontwikkeling Veehouderij zei dat de bedrijven voer produceerden voor vee, kippen, varkens en vis, volgens een officiële bron. De producenten importeerden per jaar voor meer dan $1 billioen per jaar aan ingrediënten zoals sojabonen, koren, en meel. Prijzen voor de verschillende ingrediënten zijn 60 tot 110 procent gestegen in het laatste jaar terwijl de kosten van geïmporteerd voer eveneens aanzienlijk gestegen zijn. Aangescherpte creditvoorwaarden, hoge rentes en wisselkoersen en hoge valuta transactiekosten hebben bijgedragen aan de problemen. De goedkope voorraden die door producenten werden aangehouden zijn inmiddels ook opgebruikt. Gecompliceerde import procedures en het uitbreken van ziektes hebben het vooruitzicht niet verbeterd. Een medewerker van het Departement Landelijke Ontwikkeling waarschuwde dat de prijzen voor voer ingrediënten waarschijnlijk een verdere verhoging van 20 tot 30 procent in de komende tijd, waardoor nog meer voerproducenten op een faillissement aankoersen. Vietnam moet nu noodgedwongen kant en klaar diervoer importeren vanwege het tekort aan eigen productie. De nationale vraag naar diervoer is dit jaar 18 miljoen ton, waarvan ongeveer 79 procent nationale productie is. In een poging om de markt te stabiliseren en de voerproducenten te steunen, heeft het Ministerie van Landbouw en Landelijke ontwikkeling de regering gevraagd, voer producten en ingrediënten aan te merken als essentiële grondstoffen. De import heffingen op diervoer en -ingrediënten zou dan van 5 naar 0 procent gaan. Vooreerst gaat men het proberen met het begeleiden voor een economischer gebruik op voergebruik. Het Departement Dierhouderij van het Ministerie van Landbouw heeft al verklaard dat men zal focussen op het ontwikkelen van gebieden voor de intensieve teelt van gewassen als soja bonen, tarwe en grassen met een hoge nutriënten waarde. Bron: The FishSiteNewsDesk
De aquacultuurindustrie in een notedop Aquacultuur, of de (gecontroleerde) teelt van vissen, schaaldieren zoals kreeften, en schelpdieren, heeft vooral in de laatste 15 jaren heel wat opmars gemaakt. Tussen 1987 en 1997 is de aquacultuurproductie van deze diersoorten wereldwijd zowel in gewicht als in waarde verdubbeld. Een van de drijfveren hiertoe was de toenemende druk die op heel wat aquatische ecosystemen kwam te liggen, voor een belangrijk deel wegens overbevissing. Momenteel worden wereldwijd meer dan 220 vis-, schaal- en schelpdiersoorten gekweekt, en staat de aquacultuurproductie in voor meer dan 1/4 van de rechtstreekse menselijke visconsumptie. Bijna 90% van deze productie vindt plaats in Azië. China alleen al is verantwoordelijk voor meer dan twee derden van de totale productie. Europa, Noord-Amerika en Japan vertegenwoordigen samen net iets meer dan 10% van de aquacultuurproductie, maar consumeren wel het overgrote deel van de aquacultuurproducten die op de internationale markt belanden. Binnen de aquacultuurproductie zijn twee subsectoren ontstaan. De eerste groep bestaat uit commerciële bedrijven die intensieve en semi-intensieve productiemethoden gebruiken en hun producten zowel op regionale als internationale markten afzetten. De tweede groep omvat vooral familiebedrijven en coöperatieven die producten voor eigen gebruik en de lokale markten voortbrengen, en hiervoor gebruik maken van semi-intensieve en extensieve methoden. In China en sommige andere delen van Azië zijn als gevolg van het schaarser wordende land en water heel wat kleinschalige bedrijfjes aan het intensifiëren. Aquacultuur en het gebruik van vismeel en visolie Volgens cijfers van de Food and Agriculture Organization (FAO) zijn de jaarlijkse hoeveelheden vis, schaal- en schelpdieren die in het wild gevangen worden sinds enkele jaren gestabiliseerd tussen 85 en 95 Mt (Megaton of miljoen ton). Toch wordt algemeen aangenomen dat de meeste oceaanvissoorten maximaal bevist of overbevist worden. De aquacultuurproductie daarentegen is, in tegenstelling tot de visvangst, in de laatste 10 tot 15 jaar de hoogte in geschoten, met een productiestijging van 10 Mt in 1987 naar 29 Mt in 1997. Uit cijfers van het FAO blijkt immers dat tussen 1986 en 1997, 4 van de top 5, en 8 van de top 20 wildvangsoorten (allemaal kleine oceaanvissoorten) worden gebruikt voor de productie van vismeel (en visolie) voor de aquacultuurindustrie en de veeteelt. Vismeel en visolie worden hoofdzakelijk aangewend in intensieve en semi-intensieve aquacultuursystemen, waarbij vele van deze systemen gemiddeld 2 tot 5 keer meer visproteïnen onder de vorm van vismeel verbruiken, dan het uiteindelijk aquacultuurproduct kan opleveren. Vooral in het voeder van carnivore vissoorten en zeegarnalen vormen vismeel en visolie de belangrijkste ingrediënten. Zij voorzien de dieren namelijk van alle essentiële aminozuren en vetzuren, en moeten tevens in de energiebehoefte van de dieren voorzien, aangezien deze moeilijk energie kunnen vrijzetten uit koolhydraten, die voornamelijk in plantaardig voedsel worden gevonden. Door de grote hoeveelheid vismeel en visolie die in dergelijke voeders gebruikt wordt, verbruiken tal van vis- en schaaldiersoorten meer biomassa dan zij kunnen opleveren. Voor de tien meest gecultiveerde types vis en schaaldieren (zie tabel 2) is gemiddeld gezien 1,9 kilogram wildvang nodig per kilogram vis of schaaldier die met behulp van deze samengestelde voeders opgekweekt is. Slecht drie van deze tien types, namelijk karpers, melkvissen en meervallen, vereisen minder vismeel en visolie dan zij kunnen opleveren; zeeweekdieren en karpers die aan 'filter-feeding' doen, krijgen helemaal geen samengestelde voeders toegediend. Wanneer we binnen de top 10 enkel naar de carnivore soorten kijken, dan stellen we vast dat deze 2,5 tot 5 keer meer visbiomassa verbruiken dan zij kunnen opleveren. De grootste afnemer van vismeel blijft echter de veeteelt: van de 32 Mt vismeel die in 1997 geproduceerd werd, werd ongeveer 22 Mt aangewend voor de productie van veevoerders. Vooral de pluimvee- en de varkenssectoren zijn grote verbruikers. In vergelijking met de veeteelt en de intensieve en semi-intensieve aquacultuursystemen, is het verbruik van vismeel (en visolie) in de meeste extensieve en traditionele aquacultuursystemen eerder laag of onbestaande. Dit lijkt in de toekomst echter te gaan veranderen. In China bijvoorbeeld, is de karperteelt en de teelt van andere omnivore vissoorten langzaam maar zeker aan het intensifiëren, wat overigens ook blijkt uit het aantal nieuwe voederbedrijven die er uit de grond schieten. De netto-bijdrage van aquacultuur Zoals we hierboven hebben aangetoond, is een deel van de aquacultuurproductie in belangrijke mate afhankelijk van het gebruik van voeders op basis van vismeel en visolie. Hierdoor wordt de druk op het visbestand helemaal niet ontlast, zoals vaak wordt verondersteld, maar draagt de aquacultuurproductie er onrechtstreeks óók aan bij. Het gebruik van vismeel en visolie maakt echter ook dat de bijdrage van de aquacultuurproductie aan de voedselvoorziening heel wat lager zal liggen dan verwacht wordt. Volgens schattingen is globaal ongeveer 8% van de totale aquatische primaire productie (zo'n 137.000 Mt in droog-gewicht) nodig om de vangst van vis, schaal- en schelpdieren, de zeewieroogst en de aquacultuurproductie te ondersteunen. Het is deze primaire productie die de 123 Mt wildvang (incl. waterplanten) voortbrengt, die werelwijd uit zeeën en meren wordt weggevangen. Van deze 123 Mt bestaat 27 Mt (22% van alle wildvang) uit bijvangsten, die gezien hun geringe waarde meestal terug in het water worden gegooid (dood of levend). De overige 96 Mt omvat alle vis, schaal- en schelpdieren, maar ook zeewier, die door de mens uit de natuur wordt betrokken. Een deel hiervan, ca. 66 Mt, zijn de vis, schaal- en schelpdieren (65 Mt) en het zeewier (1 Mt) die rechtstreeks door de mens worden geconsumeerd. Zoals we zien maken deze slechts 54% van de totale wildvang uit. De rest, 30 Mt of zo'n 24% van de totale wildvang, is het deel dat, samen met ongeveer 2 Mt aan visafval afkomstig van de visvangst en de aquacultuur, gebruikt wordt voor de productie van vismeel en visolie. Van de ongeveer 32 Mt vismeel en visolie die hiervan het resultaat is, wordt nu, zoals we hoger reeds zagen, ongeveer 22 Mt verbruikt door de veeteelt en 10 Mt door de aquacultuurindustrie. Dit betekent dus dat ongeveer één derde van alle vis, schaal- en schelpdieren die tot vismeel en visolie verwerkt zijn, wordt aangewend voor de productie van aquacultuurproducten. Naast vismeel en visolie worden er ook nog andere, al dan niet eetbare, materialen gebruikt voor de productie van aquacultuurvoeders. In heel wat voeders van intensieve en semi-intensieve systemen voor herbivore en omnivore vissoorten bijvoorbeeld, maakt men gebruik van melen op basis van sojabonen, katoenzaad of pinda's, maar ook nog andere landbouwproducten. Sommige samengestelde voeders kunnen bijvoorbeeld kleine tot middelmatige hoeveelheden proteïnen bevatten die afkomstig zijn van landdieren. Micro-algen op hun beurt, vormen dan weer een belangrijke voedingsbron voor heel wat herbivore en omnivore karpers en tilapia, en zijn dus van belang in tal van semi-intensieve en extensieve zoetwatervijvers in de tropen. Om nu na te gaan hoe groot de netto-bijdrage van de aquacultuurproductie aan de voedselvoorziening is, moeten we het verschil maken tussen de hoeveelheid aquacultuurproducten die jaarlijks worden geproduceerd en de hoeveelheid vis, schaal- en schelpdieren die hiervoor wordt verbruikt onder de vorm van vismeel en visolie. Voor 1997, dat een totale aquacultuurproductie van 29 Mt (excl. 8 Mt gecultiveerde zeewieren) kende, en een verbruik van 10 Mt vismeel en visolie, komen we op die manier tot een netto-bijdrage van maximaal 19 Mt. Nochtans zou heel wat van de wildvang die momenteel tot vismeel en visolie wordt verwerkt, ook rechtstreeks kunnen geconsumeerd worden. Los van andere ethische kwesties, en alleen al met het oog op de nog steeds toenemende bevolkingsdruk in ontwikkelingslanden, en de daarmee gepaard gaande vraag naar voedsel, is het gebruik van wildvang voor de productie van vismeel en visolie volkomen onverantwoord. Andere gevolgen van de aquacultuur Het gebruik van vismeel en visolie is niet alléén verantwoordelijk voor het feit dat aquacultuur in belangrijke mate bijdraagt aan de druk op het visbestand. Aquacultuur en de inperking van leefgebieden Wereldwijd werden honderdduizenden hectares mangroven (vegetatie van luchtwortelbomen) en aanverwante gebieden, zoals wetlands, getransformeerd tot melkvis- en garnaalvijvers. Dit is echter niet zonder gevolg. Mangroven vormen immers de 'kraamkamer' voor diverse vis-, schaal- en schelpdiersoorten. Bovendien worden heel wat van deze mangrove-afhankelijke soorten nadien als volwassen exemplaar aan de kust of op volle zee teruggevonden, wat meteen verklaart waarom de vernietiging van mangroven ook een weerslag zal hebben op de (lokale) voedselvoorziening. In Zuidoost-Azië bijvoorbeeld, bestaat ongeveer 1/3 van de jaarlijkse visvangst (excl. onbruikbare vissoorten) uit mangrove-afhankelijke soorten. Mangroven spelen ook een belangrijke rol in het behoud van diverse leefgebieden, zoals koraalriffen en zeegrasbeddingen. Volgens de auteurs van het Nature-artikel komt elke kilogram gekweekte garnalen die afkomstig is uit de Thaise garnaalvijvers die in voormalig mangrove-gebied gelegen zijn, overeen met een verlies van 447 g wilde vissoorten. Brengt men alle ecologische effecten in rekening, dan is de netto-opbrengst van deze garnaalvijvers laag, zelfs zonder het gebruik van vismeel in acht te nemen. voedselvoorziening van ecosystemen Heel wat oceaanvissoorten die gevangen worden voor de productie van vismeel en visolie zijn overbevist en hebben te lijden onder de klimatologische gevolgen van El Niño. Dit heeft implicaties voor predatoren die van deze oceaanvissoorten moeten leven. In de Noordzee bijvoorbeeld, is de overbevissing van lodde, smelt en Noorse steenbolk, welke hoofdzakelijk gebruikt worden voor de productie van vismeel en visolie, zowel medeverantwoordelijk geweest voor de populatieafname van wilde vissoorten zoals de kabeljauw (zie kader), als voor wijzigingen in de distributie, populatiegrootte, en het succes op nakomelingen bij verschillende soorten robben en zeevogelkolonies. Ook elders in de wereld werden soortgelijke interacties waargenomen. Aquacultuur en het wegvangen van jonge, onvolgroeide aquatische organismen Een groot deel van de aquacultuurbedrijven, en dan meer bepaald deze die vis, schaal- en schelpdieren kweken met behulp van extensief beheerde vijvers, vullen hun visbestand aan met larven of jonge, onvolgroeide dieren die uit hun natuurlijk biotoop worden weggevangen. Wanneer deze activiteiten gepaard gaan met grote bijvangsten, dan zal dit ongetwijfeld zijn weerslag hebben op het wilde visbestand. Dat er grote bijvangsten optreden, is een feit. Bij de vangst van jonge melkvissen bijvoorbeeld, bestaat slechts 15% van de via treknetten aan land gehaalde vissenjongen ook daadwerkelijk uit melkvissen. De overige 85%, die voor de melkviskwekers niet bruikbaar is, wordt op het strand achtergelaten en sterft een gewisse dood. Dit impliceert dus dat de 1,7 miljard jonge melkvissen die ieder jaar op deze manier in vijvers van de Filippijnse visteeltbedrijven terechtkomen, samengaan met een verlies van zo'n 10 miljard andere vissen. Aquacultuur en waterverontreiniging Hangkooien en vijvers die dicht bij de kust gelegen zijn kunnen een bron van waterverontreiniging vormen doordat vissenuitwerpselen en overtollig voeder in de omgeving terechtkomen. Dergelijke vormen van waterpollutie zijn doorgaans het meest duidelijk in ondiepe waters en waterpartijen met een beperkt volume, maar zijn ook kenmerkend voor gebieden met een hoog aantal intensieve aquacultuurbedrijven. In vele van deze gebieden zal de opeenhoping van vissenuitwerpselen en overtollig voeder een negatief effect hebben op de fauna en flora die op de bodem onder de kooien gelegen is. Wordt de uitstoot van stikstofverbindingen als ammoniak en nitriet echter te hoog, dan zal de verslechterde waterkwaliteit aanleiding geven tot concentraties die ook schadelijk zijn voor de in de omgeving levende vissen en garnalen. Aquacultuur en de introductie van exotische soorten en pathogenen Naast waterverontreiniging kan aquacultuur ook bijdragen aan wat men noemt biologische verontreiniging. Vissen, schaal- of schelpdieren die uit aquacultuur-bedrijven weten te ontsnappen de Atlantische zalm is een goed voorbeeld kunnen de genetische samenstelling van wilde populaties beïnvloeden doordat deze met in het wild levende soortgenoten of aanverwante soorten kruisen. Hierdoor kan de genetische samenstelling van deze wilde populaties zodanig veranderen dat deze hun affiniteit voor hun specifieke paaigronden verliezen, wat de achteruitgang van lokaal bedreigde, wildlevende populaties van Atlantische zalmen enkel maar versterkt. Daarnaast kunnen pathogenen (ziekteverwekkers) zich door het transport van levende dieren en lozingen van onbehandeld afvalwater zich makkelijker verspreiden binnen gecultiveerde en wilde populaties. Guy Frederickx Referenties op aanvraag [*] Met de term primaire productie duidt men de eerste stap in de voedselketen aan, waarbij anorganisch materiaal in organisch materiaal wordt omgezet. Vooral fytoplankton en waterplanten dragen bij aan de primaire productie van het aquatische milieu. Noot * Michel Langendijk van de stichting De Noordzee uit het Nederlandse Utrecht: Wij vrezen dat de industriële visserij, door de toenemende vraag van de visteelt, het ecosysteem nog verder ontwrichten. Temeer daar deze visserij weinig beperkingen wordt opgelegd. bron : http://ww2.vegetarisme.be/index.php?option=com_content&view=article&id=130:de-aquacultuur-paradox&catid=37:milieu&Itemid=87
Viskweek 08-08-08 De vraag naar vis zal de komende decennia sterk toenemen. Het zal nog een lastige opgave zal zijn om aan deze vraag te kunnen voldoen. De viskweek kan niet verder groeien zonder de visvoorraden uit te putten. Kweken kan wel een oplossing zijn, mits de voersamenstelling wordt gewijzigd. Het huidige voer bevat namelijk een flink aandeel gevangen vis. Dat schrijft het Milieu en Natuurplanbureau (MNP) in het rapport 'Duurzame viskweek voor behoud van de visvoorraad'. De huidige jaarlijkse visconsumptie is wereldwijd circa 100 miljoen ton, bestaande uit 60 miljoen ton gevangen vis en en ruim 40 miljoen ton gekweekte vis. Daarnaast gaat nog eens 30 miljoen ton gevangen vis naar de viskwekerijen als voer. Afhankelijk van de groei in bevolking en welvaart zal in 2040 de visconsumptie gestegen zijn tot 150 à 200 miljoen ton, verwacht het MNP. Om aan deze vraag te kunnen voldoen zou de kweekvisproductie minimaal moeten verdubbelen. Er kan echter niet veel meer voer voor de viskweek uit visvangst worden geproduceerd zonder de visvoorraden uit te putten. De viskweek kan alleen voor voldoende aanbod zorgen mits de voersamenstelling wordt gewijzigd. Rol van Nederland Aquacultuur is ook in Nederland in opkomst. Daarnaast wordt verwacht dat Nederland een rol kan spelen in de handel. Het overheidsbeleid richt zich voornamelijk op het mede opzetten van de institutionele basis voor het beheer van de visvoorraden, ook voor vangst ten behoeve van visvoer, en op het ondersteunen van andere partijen daarin. Een goed systeem voor de wateren rond werelddelen met veel ontwikkelingslanden vraagt nog veel inzet en inspanning. Prijsmechanisme werkt sturend Op beperkte schaal steunt de overheid initiatieven van vernieuwende ondernemers. De motivatie voor investeringen in de productie van nieuwe typen visvoer, zoals algen is nog vrij bescheiden. Visvoerfabrikanten wegen de inzet van vismeel en visolie tegenover andere grondstoffen vooral af op basis van de prijs. Vervanging komt wel wat op gang. Er loopt onderzoek naar optimalisatie. Beginnende ontwikkelingen met algenkweek of toepassing van zagers zijn incidentele initiatieven en niet het gevolg van sturend Nederlands Beleid. Omdat het prijsmechanisme aan de basis staat van de verandering zal schaarste aan visolie en vismeel tot hogere prijzen en meer kansen voor alternatieven leiden. Hiervoor is een goed werkend systeem tegen overbevissing en illegale vangsten van groot belang, stelt het MNP. Het rapport 'Duurzame viskweek voor behoud van de visvoorraad' is te vinden op de website van het MNP. Bron : Agri Holland. http://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/500083006.pdf. 0-0-0- Vorig jaar publiceerde een groep Amerikaanse, Engelse, Filippijnse en Scandinavische wetenschappers een ophefmakend artikel in het tijdschrift Nature, met als titel, 'Effects of aquaculture on world fish supplies'. Volgens dit artikel kampt de visteelt, of beter, de aquacultuur, in wezen met een paradox: aquacultuur mag dan misschien een oplossing bieden voor de toenemende druk op het visbestand, maar zij draagt er in heel wat gevallen óók aan bij.
Uitdunnen van de brasemstand Sportvisserij Nederland is van mening dat het periodiek uitdunnen van de brasemstand om helder water te creëren, een vorm van structurele overbevissing is van een inheemse vissoort. Het is mede hierdoor een activiteit die haaks staat op een duurzame en goede ecologische toestand, zoals de KRW die voorschrijft. Het uitvoeren van Actief Biologisch Beheer om ecologische doelen te bereiken wordt door Sportvisserij Nederland afgewezen. Dergelijke ingrepen worden gezien als symptoombestrijding en staan haaks op het streven naar ecologisch gezonde en duurzame visstanden. Sportvisserij Nederland staat bij ecologisch herstel van wateren een brongerichte aanpak voor, gericht op het terugdringen van verontreinigingen van water en waterbodem en het verbeteren van de inrichting van water en oevers. Het uitdunnen en/of uitzetten van viss(oort)en is, als directe ingreep in en daarmee verstoring van het ecosysteem water, slechts in uitzonderlijke gevallen te rechtvaardigen ten behoeve van zwaarwegende menselijke gebruiksdoelen. Daarbij is Sportvisserij Nederland van mening dat het voorkomen van brasem in de KRW-maatlatten te negatief wordt beoordeeld. Sportvisserij Nederland zet in op een realistischer waardering van de samenstelling van de visstand, waarin brasem in wateren met een voedselrijke waterbodem van nature een prominente plaats inneemt. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zegt dat in 2027 een goede ecologische toestand van het oppervlaktewater bereikt moet zijn. Deze moet zo veel mogelijk lijken op de natuurlijke toestand van het water. De brasem maakt van oudsher deel uit van de natuurlijke toestand van het Nederlandse binnenwater. Het is dan ook in strijd met de KRW om wateren in een kunstmatig heldere toestand te dwingen door de meest kenmerkende en van nature algemene vissoort hieruit grootschalig te verwijderen. Als gevolg van de strijd tegen de eutrofiëring werden troebel water en brasem in de jaren ’90 dé symbolen voor slecht water. Helder, plantenrijk water met snoek ruisvoorn en zeelt werd het symbool voor goed water. Met name de sterke lobby voor Actief Biologisch Beheer (ABB; het eenmalig grootschalig verwijderen van brasem teneinde wateren helderder te krijgen) heeft het imago van de brasem ernstig beschadigd. De vermeende rol van brasem in de vertroebeling van de Nederlandse wateren wordt sinds eind jaren ’80 enthousiast uitgedragen en behoort tegenwoordig zelfs tot verplichte kost in de biologieles op school. De gedachte achter ABB was dat een éénmalige uitdunning tot een nieuwe - helder en plantenrijke - ecologische stabiele toestand zou leiden. De ABB experimenten leidden in slechts enkele gevallen tot een helderder toestand, die echter na een korte periode van euforie bij de betrokkenen minder stabiel bleek dan werd gehoopt. Anno 2008 heeft geen enkel ABB-experiment aantoonbaar duurzaam geleid tot het voorspelde “ecologisch duwtje in de rug” naar een nieuw ecologisch evenwicht. De achterliggende theorie blijkt voor de Nederlandse oppervlaktewateren niet op te gaan. Brongerichte maatregelen zijn daarentegen wel effectief gebleken - met of zonder ABB! Maar de ABB denkbeelden blijken hardnekkig: dat ABB niet werkt heeft betrokken onderzoekers geïnspireerd tot een nog rigoureuzere vorm van brasembestrijding in de vorm van reguliere beheersvisserijen. Hiermee wordt het water als ecosysteem permanent gedwongen in een heldere, verstoorde toestand. Deze vorm van permanente overbevissing wordt sinds kort gepropageerd als goedkoop alternatief voor brongerichte maatregelen. Door brasem te verwijderen wordt de werkelijke toestand van het water en de noodzaak voor brongerichte maatregelen verdoezeld. Het doel (een goede waterkwaliteit als randvoorwaarde voor een goede ecologische toestand) is verworden tot middel (een verstoorde ecologische toestand om een goede waterkwaliteit te simuleren). Het algemeen voorkomen van brasem leidt in de voor Nederland opgestelde KRW-maatlatten voor stilstaande - en langzaam stromende wateren (de zogenaamde ‘M-wateren’) steevast tot een negatieve score. In onze grote, ondiepe plassen in het laagveen- en zeekleigebied wordt een zeer goede ecologische toestand bijvoorbeeld uitgedrukt in een maximaal aandeel van brasem van 2% van de totale visbiomassa. Deze norm is veel te laag gesteld. Deze wateren weerspiegelen namelijk het van nature optimale leefgebied voor brasem, dus het gebied waar deze vis van oudsher zeer algemeen voorkwam! De in de KRW maatlatten hoog scorende plantenminnende soorten kwamen van nature in dergelijke wateren buiten de begroeide oeverzone (maximaal enkele procenten van het totale oppervlak) nauwelijks voor. Het negatieve ABB-imago is hier duidelijk zwaarder gewogen dan objectieve, ecologische en historische kennis en inzichten over de brasem.
| 02 Mei 2009 HARDERWIJK - Bij de verbouwing van de zuiveringsinstallatie voor afvalwater in Harderwijk heeft men te kampen gekregen met grote hoeveelheden vis die de zuivering binnen drongen. De vis werd aangetrokken door een klein muggenlarfje dat voor hen een lekkerij vormt. Daarnaast speelden de temperaturen en de stroming een rol. Gevolg was dat de pomp van het effluent verstopt raakte. Een gespecialiseerd bedrijf heeft inmiddels flitsleds geplaatst om het probleem op te lossen. Door de aanpassingen wordt de zuivering in Harderwijk één van de meest moderne van het hele land als het gaat om het verwijderen van fosfaat uit het afvalwater. Bron: de Stentor
Onderbouwing Aalbeheerplan ontoereikend vrijdag 29 augustus 2008 RIJSWIJK - De rapporten van IMARES en Visadvies zijn ontoereikend om het op te stellen Nederlands Beheerplan Aal te kunnen onderbouwen. De Combinatie van Beroepsvissers (CvB) vindt dat met name het IMARES-rapport grote omissies vertoont, en dat de totstandkoming van regionale beheerplannen en een Nederlands Beheerplan Aal daardoor ernstige vertraging dreigen op te lopen. Het bestuur van de CvB heeft deze standpunten, die onderstaand worden toegelicht, kenbaar gemaakt aan het ministerie van LNV. De Europese Commissie heeft vorig jaar de EU-lidstaten opgedragen voor het eind van dit jaar een beheerplan voor aal op te stellen. Als voorbereiding op het Nederlandse aalplan heeft het ministerie van LNV aan IMARES en Visadvies BV opdracht gegeven de mogelijkheden voor aalherstel te onderzoeken. De leden van de CvB hebben groot belang bij een snel herstel van de aalstand in Nederland. De twee proefprojecten voor aalbeheer die momenteel worden uitgevoerd in Rijnland en de Randmeren, laten zien dat beroepsvissers actief en creatief met het aalbeheer verder willen. Tegen deze achtergrond heeft het bestuur van de CvB het IMARES-rapport ´Duurzaam beheer van de aal in Nederland´ en het door Visadvies BV opgestelde rapport ´Bouwstenen voor een beheerplan´ beoordeeld. Centraal in het IMARES-rapport staat de modelmatige onderbouwing voor een natuurlijke situatie voor de aalstand. Dit is de situatie waarin geen visserij plaats zou vinden en waarin de aal zonder barrières het binnenwater in en uit kan trekken. Narekenen van het model leidt tot de verbijsterende conclusie dat het bestand aan vrouwelijke rode aal in een natuurlijke situatie bijna 35 ton per 100 hectare zou moeten bedragen, ofwel 349 kilo per hectare. Gepaard daaraan zou dan de jaarlijkse uittrek van vrouwelijke schieraal bijna 14 kilo per hectare moeten bedragen. Daarbij moeten dan de mannelijke alen - en dat zijn in een natuurlijke situatie in de nabijheid van de Noordzee veel grotere aantallen dan vrouwelijke alen - nog worden opgeteld. De CvB acht deze uitkomst voor een natuurlijke situatie dermate ongeloofwaardig dat daarmee het hele model en de daaraan ontleende conclusies op losse schroeven komt te staan. Als uitgangspunt voor de natuurlijke situatie voor de aalstand gebruikt het IMARES-rapport de gegevens van het IJsselmeer. Gesteld wordt dat de hoeveelheid jaarlijks uittrekkende schieraal naar schatting 700 ton vrouwtjes en 7.000 ton mannetjes dient te zijn. Omgerekend komt dit uit op 42 kilo per hectare per jaar. Deze hoeveelheid moet als onwaarschijnlijk hoog worden gekwalificeerd. De aantallen staan ook in schril contrast met de aantallen en hoeveelheden waarop de Kaderrichtlijn Water (KRW) is gebaseerd. In de zogenoemde maatlatten die voor de KRW door wetenschappers en adviesbureaus zijn opgesteld, wordt voor veel Nederlandse wateren de totale visbezetting op 50 tot 250 kilo vis per hectare gesteld. Tegen deze achtergrond kunnen de getallen die IMARES hanteert voor de natuurlijke situatie van de aalstand niet anders dan als onrealistisch worden gekwalificeerd. De overschatting bedraagt hier minstens een factor 10. Daarnaast is te betwijfelen of de door IMARES genoemde sex-ratio (verhouding tussen aantallen mannetjes en vrouwtjes) juist is. Omgerekend in aantallen zou dit immers betekenen dat er op het moment van uittrek 50 tot 80 keer zo veel mannetjes als vrouwtjes uittrekken (een vrouwtje is vijf tot acht maal zwaarder). Wederom een niet aannemelijk gegeven. Het voorgaande heeft tot gevolg dat het gebruik van het model en het rekenwerk aan het IJsselmeer als leidraad voor een Nederlands Beheerplan Aal tot onjuiste uitkomsten zal leiden. De CvB onderschrijft dat de afweging van maatregelen voor het herstel van de aal zoveel mogelijk via een simpel model dient te verlopen. Voorwaarde daarvoor is dan wel dat dit model leidt tot realistische bestanden en realistische hoeveelheden uittrekkende schieralen. Om die reden adviseert de CvB met klem het door IMARES gebruikte model door onafhankelijke populatiebiologen en/of KRW-ecologen te laten doorrekenen. De CvB meent dat in een dergelijk model ook de hoeveelheden mannelijke aal een plaats dienen te krijgen, omdat die deel uitmaken van de totale bestanden en dus ook vertegenwoordigd zijn in de visserij. Aanpassing Het IMARES-rapport spreekt zich in het algemeen weinig uit over het waarom van de gemaakte keuzen. Er wordt via het gebruikte model slechts inzichtelijk gemaakt dat (afhankelijk van variabelen in de visserij) de uittrek aan vrouwelijke schieraal momenteel slechts 0,5 tot 2,5% t.o.v. de veronderstelde natuurlijke situatie bedraagt. Indien echter wordt uitgegaan van de meer reële natuurlijke situatie - dus correctie met minstens een factor 10 - dan worden ook andere conclusies mogelijk. Zo kunnen bijvoorbeeld ook de fysieke barrières bij de intrek van glasaal en bij de uittrek van schieraal in beeld komen. Hetzelfde geldt voor de gezondheidstoestand van de uittrekkende schieraal. Oplossingen voor deze problemen zijn te vinden in het wegnemen van de barrières en de verplaatsing van aal door menselijk ingrijpen. Het eerste is beleidsmatig al voorbereid maar vraagt grote investeringen, waardoor de uitvoering vele jaren zal vergen. Het verplaatsen van aal door menselijk ingrijpen is echter per direct realiseerbaar. Van belang hierbij is dat de beroepsvissers in staat en bereid zijn om dit uit te voeren zolang die barrières bestaan. De hier genoemde maatregelen zullen volgens de CvB (in modelvorm) een plaats in de onderbouwing dienen te krijgen. Op basis van het voorgaande geeft de CvB de volgende aanbevelingen voor het aalbeheer op nationaal en op Europees niveau: - Een meer realistische onderbouwing voor de natuurlijke situatie dan in het IMARES-rapport is onmisbaar voor verdere planvorming - Onderzoek welk deel van het totale wateroppervlak in Nederland bereikbaar en geschikt is voor productie van gezonde, niet vervuilde, aal die vervolgens ook kan uittrekken - Onderzoek de reproductiemogelijkheden van aal in relatie tot de kwaliteit van de uittrekkende schieraal - Kwantificeer de hoeveelheden uittrekkende schieraal middels merk/terugvang experimenten - Betrek in het model gebiedsspecifieke factoren, zoals de voedselrijkdom van de diverse leefgebieden (IJsselmeer, rivieren, plassen, boezemwateren en polders) en betrek daarin ook variabele hoeveelheden glasaal - Geef een signaal aan de EU dat de sanering van waterbodems op korte termijn essentieel is voor het voortbestaan van de aal. De rapporten van IMARES en van Visadvies zouden de basis moeten vormen voor de onderbouwing van het Nederlands Beheerplan Aal. De CvB is evenwel van mening dat met name het IMARES-rapport dermate grote omissies vertoont dat dit in zijn huidige vorm daarvoor ontoereikend is. De totstandkoming van regionale beheerplannen en een Nederlands Beheerplan Aal dreigen daardoor ernstige vertraging op te lopen. De tijd dringt echter. Willen we voor het eind van dit jaar beschikken over een voor de EU acceptabel Nederlands Beheerplan Aal dan zal immers op korte termijn - liefst in VBC-verband (Visserij Beheer Commissie)- gestart moeten worden. Daarom pleit de CvB voor: - ontwikkeling van pragmatische richtlijnen waarmee de visserijsector in VBC-verband het aalbeheerplan voor het eigen gebied kan implementeren. Het uitgangspunt moet zijn: gebiedspecifieke maatregelen (inclusief de uitzet van glasaal en pootaal) met een toetsbaar effect op de uittrekkende schieraal (kwantitatief en kwalitatief) - per direct starten van een communicatietraject over aalbeheer naar VBC’s - facilitering van VBC’s bij het ontwikkelen van het door hen te voeren aalbeheer. - ontwikkeling van een procedure om regionale aalbeheerplannen in te passen in een Nederlands Beheerplan Aal. Het bestuur van de CvB en de aangesloten leden geven graag hun medewerking aan een goede onderbouwing van het aalbeheer in Nederland. Dat kunnen zij echter niet alleen. Ook watereigenaren, waterbeheerders en sportvisserijorganisaties dienen daar aan bij te dragen. Voorzorgsprincipe Een extra aandachtspunt voor aanpassing van het IMARES-model is dat de sex-ratios van aal hoogstwaarschijnlijk afhankelijk zijn van de dichtheid van het aalbestand en dus beïnvloed worden door de uitzet van (glas)aal en de visserij. Dit dient derhalve eveneens in het model ingepast te worden. De CvB heeft echter geconstateerd dat in het IMARES-rapport dichtheidsafhankelijkheid vanuit het voorzorgsprincipe niet wordt meegenomen. Dit acht de CvB een politiek gekleurd uitgangspunt dat niet in een wetenschappelijke onderbouwing thuishoort. Opmerkelijk is overigens wel dat de afzonderlijke rapporten van IMARES en Visadvies elkaar hierin tegenspreken, omdat het rapport van Visadvies de dichtheidsafhankelijkheid van sex-ratio bij aal wel noemt. Ten aanzien van het voorzorgsprincipe heeft de CvB verder geconstateerd dat dit in het IMARES-rapport niet consequent wordt toegepast. Zo gaat het rapport niet in op de invloed van vervuilende stoffen (zoals PCB’s en dioxines) op de voortplanting van de aal. Hetzelfde geldt voor de invloed van parasieten en migratiebelemmeringen. Dit terwijl er door de EU en in de wetenschappeljke adviezen van de EIFAC en de ICES sterk op wordt aangedrongen om dergelijke factoren wel mee te wegen.
Bedwelmen kweekvis dit jaar wel in praktijk dinsdag 02 september 2008 RIJSWIJK - Nog dit jaar nemen twee verwerkers wel degelijk een elekrocutie-machine in gebruik voor het op bedrijfsschaal bedwelmen en diervriendelijk doden van paling, meerval en tilapia. De Nederlandse Vereniging van Viskwekers reageert daarmee op uitlatingen van Wageningen IMARES dat een termijn van enkele maanden veel te kort, waarbij de onderzoekers er op wezen dat het huidige project op 1 januari 2008 is gestart met een looptijd van twee jaar. Secretaris Wim van Eijk van de NeVeVi stelt dat de laboratoriumproeven bij Wageningen IMARES de aquacultuursector zoveel vertrouwen hebben gegeven dat inmiddels in Enkhuizen (Nijvis) en Overloon (Fishion) de voorbereidingen zijn getroffen om machines op bedrijfsniveau te bouwen. Vis wordt dan in een bak water kort onder stroom gezet. Vanwege de combinatie van elektriciteit en water is daarbij veel aandacht voor de arbeidsomstandigheden nodig. Nederland is straks het eerste land ter wereld waar (kweek)vis na bedwelming pijnloos wordt geslacht. De NeVeVi is van plan om hier eind dit jaar uitgebreid aandacht aan te schenken.
21-08-08 Centrales vernietigen visbestanden Onderzoeker wijst op grote gevolgen voor tongvisserij Sommige Britse en Franse kerncentrales langs de kust zorgen voor grote vissterfte. Dat stelt milieudeskundige Peter Henderson van de universiteit van Oxford. De atoomcentrales gebruiken zeewater om de reactoren te koelen, waarna het verhit terug in zee wordt geloosd. Henderson heeft berekend dat duizenden tonnen vis gespaard zouden kunnen worden als de koelsyste men beter zouden zijn. De aanzuigleidingen van de centrales trekken verschillende vissen, schaaldieren, viseitjes, garnalen en larven mee naar binnen. ‘Vooral het aantal kleine vissen dat op die manier wordt vernietigd is kolossaal’, zegt Henderson in de Britse krant The Times. Het aantal, gewicht en de verschillende soorten vis en schaaldieren die tegen de filters van de koelsystemen blijven hangen, is gemakkelijk vast te stellen. Maar het aantal kleine visjes, viseitjes, garnalen en larven dat naar binnen wordt gezogen is moeilijker in te schatten en wordt volgens Hendersons berekeningen sterk onderschat. De kleine vissen worden volgens hem in zeer grote hoeveelheden naar binnen gezogen. Dieren die te klein zijn voor de filters leggen het hele proces in het koelsysteem van de centrale af: ze warmen op tot ongeveer dertig graden en krijgen kleine doses chloor en straling binnen, waardoor ze sterven. Henderson wijst er ook op dat het warme lozingswater nog een gevaarlijk effect heeft. Omdat het warmer is trekt dat lozingswater juist talloze kleine vissen en andere zeediertjes aan die vervolgens dus in groot gevaar raken. Het negatieve effect op de visbestanden is nog ernstiger omdat duizenden tonnen van die kleine zeedieren op die manier uit de voedselketen verdwijnen, waarvan grotere vissoorten weer de dupe zijn. Andere industrieën In de kerncentrale van Dungeness in Kent raken de pijpen van het koelsysteem geregeld verstopt met sprot. ‘Het gaat over meer dan 250 miljoen vissen in minder dan vijf uur die verloren gaan’, waarschuwt Henderson. Als het gaat over de zuidelijke regio van de Noordzee doden de koelsystemen zodanig veel jonge vissen en viseitjes dat het verlies voor tong op die manier bijna de helft bedraagt van wat verloren gaat door commerciële vangst. Omdat er langs Het Kanaal zowel aan Franse als aan Britse kant heel wat kerncentrales staan, is de schade ook daar erg groot. Henderson pleit voor andere koeltechnieken. Die zijn duurder maar de meerkosten wegen niet op tegen de economische verliezen die het gevolg zijn van uitgeroeide visbestanden. Hij wijst er ook op dat installaties in de petrochemie die op steenkool draaien en zeewater als koeling gebruiken, hetzelfde probleem veroorzaken, ook al is dat in mindere mate. (JS) Bron: Schuttevaer
Beroepsvissers werken aan schieraal-verhuizing donderdag 30 april 2009 NIJKERK - De beroepsbinnenvissers hebben overeenstemming bereikt over de uitvoering van het aalherstelplan: het over de dijk zetten van 157 ton gevangen schieraal. Dat gebeurde vorige week vrijdag tijdens de jaarlijkse algemene ledenvergadering in Nijkerk, gelet op de gevoeligheid van de materie dit jaar een besloten vergadering. Met de aanvaarding door de Tweede Kamer van de motie Koppejan cs. eind maart is bij de beroepsvisserij de opdracht neergelegd om dit najaar 157 ton schieraal extra te laten uittrekken naar zee. Daarvan dient 50 ton schone vrouwelijke schieraal te zijn. De overige 107 ton is ongesorteerde schieraal. Voor de uitvoering van dit plan heeft LNV-minister Verburg een bedrag van 700.000 euro beschikbaar gesteld. De beroepsvissers zullen voor 1 juli dit jaar een uitgewerkt plan voor deze schieraal-verhuizing indienen bij LNV. Om de uitvoering van de ´verhuis-opdracht´ voor schieraal nader uit te werken, heeft de Combinatie op 24 april een algemene ledenvergadering gehouden. Uitgangspunt daarbij was een voorstel van het CvB-bestuur, waarin de 157 ton voor verschillende gebieden in Nederland is uitgesplitst. Daarnaast werd gesproken over de vergoeding voor de betreffende schieraalvissers. ,,Veel werk aan de winkel voor onze vissers, maar we zijn vast besloten om dit plan te laten slagen´´, herhaalt voorzitter Sicko Heldoorn van de Combinatie van Beroepsvissers. Compensatiefonds Omgerekend per kilo, zou de door minister Verburg toegezegde 700.000 euro uitkomen op een bedrag van 5 euro voor de schone schieraal en 4 euro voor de ongesorteerde schieren. Als de marktprijzen voor schieraal het komende najaar hoger zijn dan het afgelopen najaar, betekent dit dat de beroepsvissers een forse financiële bijdrage zullen leveren aan de uitvoering van het nationale schieraalproject. Algemeen was men echter op de ledenvergadering van mening dat voorkomen moet worden dat de 157 ton niet zou worden gehaald. Als oplossing voor de inkomstenderving heeft de CvB besloten tot vorming van een compensatiefonds met als doel een mogelijk prijsverschil tussen de marktprijs van schieraal en de opkoopprijs van het schieraalproject zoveel mogelijk te compenseren. Daarvoor zullen andere belanghebbenden bij het aalherstel worden benaderd, waaronder de handel en de aalkwekers. Uitkering uit het fonds is alleen mogelijk voor vissers die aal geleverd hebben aan het schieraalproject. De CvB zal er bij Verburg op aandringen dat dit ook geldt voor de 700.000 euro die zij beschikbaar stelt voor het project. Uitwerking Uitgangspunt bij de uitwerking van het 157-ton plan is een decentrale aanpak. De totale hoeveelheid van 157 ton is daarvoor uitgesplitst in verschillende gebieden. Als de vissers uit een bepaald gebied de gevraagde hoeveelheid schieraal leveren, zal voor hen het oorspronkelijk door Verburg aangekondigde vangstverbod niet gelden. Beroepsvissers die wel schieraal kunnen vangen, maar die niet meedoen met het schieraalproject, kunnen er oorzaak van zijn dat de vastgestelde hoeveelheid schieraal niet beschikbaar komt. In overleg met LNV zal de CvB er voor pleiten dat voor deze vissers het door minister Verburg aangekondigde vangstverbod van twee maanden gaat gelden: zij moeten de fuiken twee maanden uit het water halen. Daarmee wordt niet alleen de schieraalvisserij onmogelijk, maar ook de visserij op rode aal en de bijvangsten, zoals wolhandkrab, bot, snoekbaars en rivierkreeft. Verder is van belang dat deze vissers indirect toch bijdragen aan het schieraalproject, omdat de hoeveelheid schieraal die zij door het vangstverbod van twee maanden niet kunnen vangen, vrij kan uittrekken naar zee. Die hoeveelheid zal in mindering worden gebracht op de te leveren 157 ton. NIJKERK - Tijdens de algemene ledenvergadering van de CvB heeft ook de verkiezing van een nieuw dagelijks bestuur plaatsgevonden. Daarbij is het aantal DB-leden uitgebreid van vier naar vijf. Voor deze vijf bestuurszetels zijn met overgrote meerderheid van stemmen gekozen: Sicko Heldoorn (voorzitter) Rina Boerdijk (Dirkshorn) Peter Kooistra (Tholen) Doede Visser (Workum) Marcel vd Kreeke (Oostkapelle) In de eerstvolgende DB-vergadering zullen de overige bestuursfuncties worden verdeeld. Tabel: Verdeling van de aan te leveren schieral (kg) per (VBC)gebied voor 2009. Gebied Hoeveelheid IJsselmeer en Markermeer 22429 Rivieren 67286 Friesland, Lauwersmeer en Groningen 14000 Hollands Noorderkwartier 11000 Noordzeekanaal 3000 Randmeren 4000 Twentekanaal 500 Amsterdam-Rijnkanaal 750 NW Overijssel 3000 Amstel, Gooi en Vecht 750 Zuid-Holland 10000 Hoekse Waard 1400 Zeeuwse Eilanden 500 Zeeuws Vlaanderen 500 Volkerak-Zoommeer 4000 Grevelingen 11000 Veerse Meer 1500 Markiezaatsmeer 1500 EMMELOORD - Vijftien IJsselmeervissers hebben besloten een kenniskring IJsselmeer op te richten. De oprichtingsvergadering van de kenniskring IJsselmeer vond deze maand plaats op het kantoor van de Nederlandse Vissersbond. In overleg met Kees Taal van het LEI wordt nu een kenniskringplan opgesteld. Onderwerpen waarmee aan de slag kan worden gegaan zijn: aalscholverproblematiek (schade), helderheid water, bouwkundige projecten (windmolens, stroomturbines Afsluitdijk), verwijnen jonge snoekbaars, achteruitgang voornbestand, imago en aalherstelplan. Bij de oprichtingsvergadering waren vertegenwoordigd: EH 22, EH 49, GM 57, UK 262, UK 238, UK 122, UK 322, VD 64, WR 43, VD 94, WR 293 en LE 22.
05 Augustus 2009 | 08:17:46 BRUSSEL - Dekt de term ´overbevist´ nog wel de lading? Waarom blijven TAC´s omlaag gaan als vissers zien dat er vis genoeg is? Wat heeft het voor zin TAC´s te verlagen als dat alleen maar meer discards geeft? Stelt ICES de doelen niet te hoog? Een spervuur van vragen werd vorige week donderdag in Brussel gesteld aan de aanwezige biologen en ambtenaren van ICES en de Europese Commissie op een seminar over de toestand van de visbestanden in de Europese wateren en de wetenschappelijke adviezen. Het seminar was toegankelijk voor pers, overheden, ngo´s en sectorvertegenwoordigers uit alle Europese landen, ten behoeve van een open en transparante discussie. Er is toch tamelijk veel groen te zien in een grafiek die de trends aangeeft van visbestanden in het noordoost-Atlantisch gebied, met af en toe een plukje rood voor een aantal van de in totaal 14 te onderscheiden kabeljauwbestanden, voor sommige kreeftjesbestanden en voor een aantal diepzeevissen. Maar hoe anders is de communicatie van de Europese Commissie. Leeft daardoor bij het grote publiek niet het idee dat vrijwel alle Europese visbestanden overbevist worden? Het bleek de rode draad op het seminar vorige week in het hartje van het Brusselse EU-kwartier. Dat ging niet over controle en/of technische maatregelen, maar puur over de laatste bevindingen van de biologen over de staat van de visbestanden en wat die in de praktijk voor de visserman betekenen. In het Charlemage-gebouw van de EC werd door een aantal biologen op heldere wijze een stortvloed van informatie gegeven over de visbestanden in alle Europese wateren, van de noordoost-Atlantic tot de Zwarte Zee en van de wateren rond Spanje tot de Botnische Golf. Wetenschappers van zowel ICES en de General Fisheries Council for the Mediterranean (GFCM, de tegenhanger van ICES voor het Middellandse Zeegebied) als het adviescomité van de EC zelf (de STECF) legden uit hoe de wetenschappelijke adviezen voor 2010 tot stand komen. De bijeenkomst was door de EC georganiseerd als open forum, om betrokkenen in staat te stellen opmerkingen te plaatsen en vragen te stellen aan de aanwezige biologen en ambtenaren. Milieuorganisaties waren niet of nauwelijks aanwezig en roerden zich al helemaal niet. Vrijwel alle opmerkingen, vragen en (soms lange...) betogen kwamen van visserijvertegenwoordigers. Er was enthousiast gereageerd op de uitnodiging van de EC. Er konden woordvoerders genoteerd worden uit Frankrijk (Bretagne), Denemarken, Zweden, het Verenigd Koninkrijk (Schotland, Engeland/Wales en Noord-Ierland), Portugal, Spanje, Italië, Duitsland en Nederland (Pim Visser). Geen enkel land wilde zich de mogelijkheid laten ontnemen om de frustraties de vrije loop te laten. Aan de beschikbare tolken de zware taak om de ingewikkelde en emotionele materie te vertalen. Vrijwel alle bijdragen kwamen op hetzelfde neer: meer offers kan de sector niet opbrengen, de visbestanden herstellen, maar waarom blijven de TAC´s dan zo laag? Het deed dagvoorzitter Reinhard Priebe (Directeur DG Mare Atlantische, Arctische en Verre regio´s) verzuchten dat vissers altijd zeggen dat er meer vis in de zee zit dan de biologen schatten, en nooit eens andersom. Ieder land heeft z´n eigen specifieke pijnpunten. Schrijnende verhalen kwamen van onder meer visserijvoormannen Dick James, Mike Parks en Barry Deas uit het Verenigd Koninkrijk. Noord-Ierland bijvoorbeeld telde in 1999 nog 44 kabeljauwschepen. Hiervan zijn er nu nog vijf over, waarvan er drie stilliggen vanwege gebrek aan quotum. Vrijwel alle Noord-Ierse vissers zijn overgestapt op kreeftjes (nephrops), goed voor 70 procent van de totale aanlandingswaarde. Voor de zeer strenge kabeljauwmaatregelen ziet de sector nog geen enkele beloning, en tot overmaat van ramp moet de kreeftjesvisserij nu ook sterk beperkt worden. Kreeftjes waren sowieso een hot item in Brussel. De Franse en Deense woordvoerders vroegen zich af waarom de kreeftjesvisserij gereduceerd moet worden, terwijl het toch goed gaat met de bestanden. ,,ICES verandert de doelen doordat de stabiele kreeftjesvisserij ineens volgens de principes van MSY (Maximale Duurzame Oogst) beheerd moet gaan worden. Geen wonder dat bij het publiek de indruk bestaat dat het niet goed gaat met de bestanden.´´ Het blijkt de grote frustratie, maar misschien ook grootste ´eyeopener´ van de dag: ´duurzaam bevist´ kan zomaar ´overbevist´ worden als ICES het criterium MSY in gaat voeren. ,,Let u daar als EC alstublieft op bij de communicatie met het grote publiek’’, zei de Zweedse vertegenwoordiger. De Portugese vertegenwoordiger kwam met de heek als voorbeeld. Na saneringen en effortbeperkingen gaat het goed met het heekbestand. Toch gaat de TAC weer omlaag. De Portugees vindt ICES ´overambitieus´, terwijl de sector in zijn land geen offers meer kan brengen. Dat ICES in 2010 het heekherstelplan intern gaat beoordelen (benchmarken) vindt hij ´te laat´. Peter Wreckling van het Deutsche Fishereiverband meldde dat vissers in de Oostzee veel dode kabeljauw op de bodem aantreffen. Er zijn veel discards. ,,Niet de visserijsterfte moet verder omlaag, maar het quotum moet omhoog.´´ Hetzelfde geldt voor de Britse wijting. Barry Deas van de NFFO voor Wales, Engeland en Noord-Ierland: ,,De nu voorgestelde 15 procent reductie van de wijting-TAC zal alleen maar meer discards gaan geven. ICES geeft zich veel te weinig rekenschap van wat de visserman doet om zijn bedrijf levensvatbaar te houden bij verlaging van de quota.´´ Deas vroeg zich met zijn collega´s af wat nu de drive is van de ICES om de weg naar herstel zo ´steep´ te willen. De Italiaanse woordvoerder vindt dat het voorzorgsbeginsel wordt ´overdreven´. ,,Met de schol in de Noordzee gaat het inmiddels goed´´, stelde afslagdirecteur Pim Visser (aanwezig namens de Europese visafslagen) vast. ,,De operatie is geslaagd, maar de patiënt is overleden en we zijn een flink stuk markt kwijtgeraakt.´´ Onbekend Dezelfde mechanismen (verandering van criteria/doelen) die ervoor zorgen dat een bestand van duurzaam bevist ineens in een grafiek het stempel ´verhoogd risico´ kan krijgen en zelfs ´overbevist´, spelen bij de weergave van de beschikbare kennis over een visbestand. ´Unknown´ (onbekend) in de tabellen over de Europese visbestanden betekent niet per definitie dat er niets bekend is over het betreffende visbestand. Meestal is er wel iets over het paaibestand of andere biologische feiten bekend, maar betekent ´unknown´ dat niet bekend is hoe het bestand zich verhoudt tot graadmeters als minimaal veilig paaibestand en MSY. Dat in veel tabellen van de biologen het woordje ´onbekend’ staat kan echter op het bordje van de sector terechtkomen; via de ngo´s, die de kwalificatie ´onbekend´ aanpakken om voor meer beperkingen van de visserij te pleiten. Er waren nog meer kritiekpunten vanuit de sector. De wetenschappers lopen achter de feiten aan (,,We praten over data en vangsten van twee jaar geleden.´´), er wordt te weinig gekeken naar de kortetermijneffecten voor de visserijsector, de visserman krijgt geen beloning voor de vele offers die al gebracht zijn, het systeem is niet flexibel genoeg, Noorwegen stelt eigen regels die niet compatibel zijn met die van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid en er wordt veel te weinig rekening gehouden met de praktijk van gemengde visserijen. De biologen konden slecht uit de voeten met de vaak gedetailleerd toegelichte problemen uit de lidstaten, en beriepen zich op hun gegevens, de hiaten daarin, de onbekendheid van de effecten van factoren buiten de visserij, de kwaliteit van de aanlandingsgegevens en de onbekende hoeveelheid discards. De gemengde visserijen zijn zeker ook voor de EC een probleem. De EC, die toch ook vindt dat er de laatste jaren grote verbeteringen zijn doorgevoerd, neemt alle opmerkingen die op het seminar zijn gemaakt mee naar huis ter overdenking. Senior adviseur Hans Lassen van ICES zei tot slot dat er geen grote veranderingen in het gemeenschappelijk visserijbeleid zullen komen Wel zal men proberen zich meer rekenschap te geven van economische factoren en het gegeven van de gemengde visserij. Een belangrijke verandering is het vanaf volgend jaar het verdwijnen van de weinig populaire ´annexen´ aan de verordeningen, waarmee de EC eindeloos kon improviseren met genomen besluiten. Nu zullen alle besluiten vanaf het begin beter doorgedacht moeten worden. Tenslotte zouden EC en ICES graag zien dat de uiteindelijke besluitvorming ´omlaag´ gaat, en niet zoals nu aan de visserijministers wordt overgelaten. 140 visbestanden In totaal worden jaarlijks gegevens verzameld van 140 visbestanden. Van gemiddeld 34 daarvan zijn zoveel gegevens dat er adviezen gegeven kunnen worden. Voor gemiddeld 59 bestanden zijn minder gegevens en kunnen minder wetenschappelijke adviezen gegeven worden. Van gemiddeld 35 visbestanden over het laatste decennium bekeken was de kennis zo gering dat er geheel geen adviezen mogelijk waren/zijn. Lichtpuntje Kleine, jonge vis is vaak de lekkerste. Dat weten de inwoners van de landen rond de Middellandse Zee maar al te goed. De grotendeels kleinschalige visserij door de naar schatting 100.000 scheepjes is vooral gebaseerd op de vangst van jonge vis. Maar hoe kan dit al eeuwen achtereen doorgaan? Een deel van de verklaring kan liggen in het feit dat de grotere exemplaren een veilig heenkomen vinden in de diepe canyons van deze zee, die maar een klein ´plat´ heeft en veel grote dieptes. Het werd een ´lichtpuntje´ genoemd in het verder wat ´vale plaatje´ dat de staat van de visbestanden in deze zee weergeeft. De visserij in de Middellandse Zee wordt gekenmerkt door kleinschaligheid, een grote diversiteit aan vissoorten en relatief kleine bestanden. Het management wordt gecompliceerd doordat de zee gedeeld wordt met veel niet-Europese landen. De vangsten van deze landen (Noord-Afrika) stijgen in het algemeen. Van grote delen van het gebied (Zwarte Zee, Afrikaanse kust) zijn geen bestandsopnames. Toch stelden noord-Europese visserijvertegenwoordigers enigszins ironisch vast dat het in de Middellandse Zee, altijd geschetst als wildwest-gebied zonder goed visserijbeheer, beter lijkt te gaan dan in de Noordzee, de best onderzochte zee ter wereld... Meer regionaal Pim Visser: ,,Het was natuurlijk veel te veel voor één dag! Daardoor bleef het erg algemeen. Er werden geen dingen verteld die we in de Noordzee-RAC al niet eerder gehoord hadden. Wat ik belangrijk vind is dat er goed en intensief overleg tussen de visserijsector en de wetenschappers blijft. De dag heeft aangetoond dat we deze zaken echt regionaal moeten bekijken, want anders wordt het een veel te tijdrovend overlegcircuit.´´ Bron: Visserijnieuws.nl
De Zuiderzeesteunwet van 1925 en de intrede van de snoekbaars door uitzetting in Nederland.. 'Vanaf 1918, het jaar dat men besloot om de Zuiderzee af te sluiten, begon geleidelijk aan de inkrimping van de vissersvloot. Jaar na jaar verminderde het aantal schepen, verslagen legden steeds meer vissers zich neer bij het onontkoombare. Ontmoedigd ook door een overheid die de verwachting propageerde dat er na de afsluiting op het IJsselmeer geen visserij meer mogelijk zou zijn. Vissers zochten ander werk en wie ondanks dit vooruitzicht bleef doorgaan was of hopeloos optimistisch, eigenwijs of kortzichtig...' Zo zullen de bewindvoerders het zich hebben voorgesteld op het moment dat de 'Wet tot Afsluiting en Gedeeltelijke Droogmaking van de Zuiderzee' een feit werd. Maar in tegenstelling tot deze verwachtingen reageerden de vissers nogal gelaten op de dreiging van deze ingrijpende plannen. Twijfels over de haalbaarheid voerden de boventoon. En als het dan toch zou lukken? Was hen niet een goede schadeloosstelling in het vooruitzicht gesteld? Het idee van rentenieren op kosten van de staat spraak menigeen wel aan. Voorlopig maakten zij zich in elk geval nog niet druk over de plannen van Den Haag. In de slechte tijd vlak na de Eerste Wereldoorlog hadden zij het al moeilijk genoeg om het hoofd boven water te houden en de dijk was nog ver weg... Zes jaar later kwam na veel gepraat de 'Zuiderzeesteunwet' tot stand en hoorden de vissers wat voor hen in het verschiet lag. In tegenstelling tot wat men eerder had beloofd, werd hun alleen steun, gebaseerd op de armenwet, toebedeeld. Dit betekende dat er weinig of niets overbleef van hun 'recht op schadeloosstelling' en dat zij waren aangewezen op de gunst van de overheid. De zwaar teleurgestelde vissers beseften nu toch steeds duidelijker wat op hen afkwam, maar ondanks hun aanvankelijk verzet bleven zij bereid om voor het landsbelang dit offer te brengen als dat nodig was. Een gevoel van machteloosheid en onzekerheid breidde zich onder de vissers uit. Terwijl een groot deel onverstoorbaar doorging met vissen, begonnen anderen zich her en der naar ander werk om te zien. Vooral de jongeren, de knechten, die toch wel wat meer van de toekomst verwachtten, lieten zich inschrijven als werkzoekende. Dit was voor velen extra moeilijk, omdat juist in de laatste jaren voor de afsluiting eindelijk weer goed werd gevangen. Naar mate de voltooiing van de dijk naderde werd er steeds meer druk op de vissers uitgeoefend om ermee te stoppen. Maar mocht je dit wel van de vissers vragen, nu het juist weer wat beter ging? Moesten zij een bloeiend bedrijf gaan inruilen voor een karige uitkering of een slechte baan aan wal? Echter, als de goede knechten gingen, liepen ook de opbrengsten terug en met het vooruitzicht dat het na de afsluiting toch afgelopen zou zijn met de visserij, liet menigeen de moed zakken. In januari 1932 werd in Amsterdam de 'Rijksdienst ter Uitvoering van de Zuiderzeesteunwet' geïnstalleerd. Deze dienst besliste over de binnenkomende verzoeken om uitkering en zou in de komende jaren een cruciale rol spelen in het (over-)leven van de visserijbevolking. Het beleid was vooral gericht op verdere afname van de visserij en men hield zich naast het toekennen van toelagen en onderhoudsbetalingen voornamelijk bezig met zaken die rechtstreeks met het beeïndigen van vissersbedrijven te maken hadden: het bepalen en uitkeren van waardevermindering van schepen en visserijuitrusting als gevolg van de afsluiting. Ondertussen werd op allerhande manieren geprobeerd om de steunbetalingen te verlagen door de voormalige vissers aan ander werk te helpen. Er werd zelfs een fabriek gesticht om werkeloze vissers weer een baan te geven: de ENKEV, de Eerste Nederlandse Kunstharsspinnerei Edam-Volendam. Vissers werden spinners van "kunstpaardenhaar", eendenfokkers, fabrieksarbeiders en wie geluk had kreeg zelfs een baan bij het Rijk. Gezien de slechte economische situatie ging de kunstharsspinnerei in korte tijd weer failliet en stonden de vissers opnieuw op straat. Door het tekort aan banen bleef het vinden van werk voor voormalige vissers een probleem. De uitkeringen vormden een vervelende belasting voor het Rijk maar men volgde noodgedwongen de ingeslagen weg: de Zuiderzeevisserij was voorbij en in het IJsselmeer zag men voor de vissers geen toekomst. Volhouders en heerbeginners Ondanks dit alles bleef er nog een grote groep vissers over die gewoon doorging. Nadat zij de eerste magere jaren waren doorgekomen, konden zij tenslotte toch weer op een redelijke manier in hun inkomsten voorzien. Zij waren uiteraard degenen die de verandering van zout naar zoet water van heel dichtbij meemaakten. De echte zoutwatersoorten zoals garnaal en haring verdwenen al zeer snel en daarmee een deel van de gevarieerdheid van de visserij. Spiering werd schaars en alleen bot was her en der nog te vangen. Wat voor de zoutwatervis het einde betekende werd voor de zoetwatervis een ideale leefruimte: zijn gebied hield voortaan bij de monding van de rivier niet meer op, maar groeide uit tot een immense plas die jaar na jaar zoeter werd. De vissers speelden in op deze verandering door zich naast de vangst van bot te concentreren op paling en spiering, die soorten die zich het snelst hadden hersteld. Vooral paling en de uitgezette snoekbaars, die zeer voorspoedig groeide, ontwikkelden zich tot de belangrijkste vissoorten. Degenen die op deze manier hebben doorgevist kwamen hiermee door de moeilijke jaren, ja er zat zelfs weer een redelijke kans op groei in. Een aantal vissers, die eerder uitgetreden waren en tevergeefs hadden geprobeerd om aan wal hun brood te verdienen, zagen deze ontwikkelingen met lede ogen aan. Als men nog steeds van de visvangst kon leven, waarom zij dan niet? Zij wilden best weer terug in hun oude beroep, maar vooralsnog stond men bij de Rijksdienst niet te juichen bij het vooruitzicht om de visserij nieuw leven in te blazen: elke mislukte poging betekende immers verlies van geld en opnieuw steunbetalingen. Pas tegen het midden van de dertiger jaren, toen men inzag dat de doodgewaande visserij toch nog een overlevingskans had, veranderde het beleid. Mondjesmaat begon men met het verlenen van krediet voor het (her-) oprichten van een vissersbedrijf. Het mes sneed aan twee kanten: leningen verstrekken was voor het Rijk aantrekkelijker dan het geven van uitkeringen, het geld kwam tenslotte weer terug. Bovendien konden op deze manier de toelagen voor de vissersgezinnen gekort worden. Door de inkomsten uit de visserij voorzagen zij immers weer (gedeeltelijk) in eigen onderhoud.